![]() |
![]() |
| Ik zit op het stoeltje van de leeuw. De kikker zit er helemaal onder. |
In de draaimolen, kikker viel eraf. Ik heb kikker er weer op gezet. |
![]() |
|
|
Ik gooide kikker in het water. |
|
![]() |
![]() |
| Ik vaar in een bootje, Ella vaart achter mij. |
Blacky zit bij mij op schoot. Ik heb een kort broekje aan. |
|
|
|
| Ik lig op bed te slapen. Mem heeft mij stiekem op de foto gezet. |
Ik lees kikker voor. Kikker zit op mijn schouder. |
![]() |
![]() ![]() |
| Ik fiets in de tuin. Kikker valt van de fiets. Ik rijd over kikker heen. Ik zet kikker weer op de fiets. |
Ik fiets naar de achtertuin. Kees rent achter mij aan. |
|
|
![]() |
| Kikker moet weer naar school. Ik geef hem een kus. |